Hoe het allemaal begon

Een verhaal uit het boek Soms in Afrika door Floor Koomen, over de vrouw met wie het allemaal begon.

Zegt U het maar!

Vanmiddag heb ik onderbroeken gekocht. Terwijl ik dat deed, huilde ik. Huilend onderbroeken kopen, dat heb ik nooit eerder gedaan. Vandaag was het zover… Linnah, ze werd mijn bijna dagelijkse praatje op het strand. Ik geniet het enorme voorrecht anderhalve maand lang in Kenia te verblijven, aan het strand. In Rana, waar ik al een paar maal eerder was. Deze keer verblijf ik er in mijn eentje. Met als doel te schrijven. De eenzaamheid is prettig en bevalt overwegend goed. Maar soms moet ik even een praatje maken. Dan wandel ik het strand op en tref Linnah op haar plekje. Meestal gezeten op een omgekeerde emmer in de schaduw van de palmen op de afscheiding tussen het strand en de tuin van een luxe villa. Haar handel, gekookte eitjes, in een doos voor zich in het zand. Linnah is een heel eenvoudige jonge vrouw met een pokdalig gezicht. Mager en arm. Ze doet haar best er goed uit te zien. Dat lukt maar matig, vanwege haar oneffen huid en haar oude gescheurde kleding. Haar pogingen spreken de werkelijkheid tegen; het is een aandoenlijke strijd om waardigheid. Ze houdt van grapjes. Als ze lacht, valt de tragiek voor een paar minuten van haar gezicht. ‘Soms in Afrika’ door Floor Koomen Ik ga bijna dagelijks grapjes maken. Vooral die ene, waarbij ik net doe alsof ik een Duitser ben die niet weet hoe je ‘ei’ in het Engels zegt, vindt ze elke keer weer hilarisch. Dan ga ik voor haar staan, buig iets door mijn knieën en roep veel te luid: ‘Soe joe haaf ein…?’ Vervolgens kakel ik als een kip, wapper met opgevouwen armen alsof het vlerken zijn en leg een onzichtbaar ei in mijn rechterhand dat ik haar vervolgens voorhoud. Als ik het grapje vergeet te maken, begint ze zelf met een verlegen ‘Soe joe haaf…?’ Met opgevouwen armen wapperen durft ze niet. Laat staan kakelend ei-legbewegingen maken om een onzichtbaar geboortehuis te produceren. Te raar. Te verlegen.

Ze is niet knap. Dat is deels haar redding. De kans is groot dat ze in de prostitutie zou zijn terechtgekomen. Vier jaar basisschool en het leven dat ze achter zich heeft, vormen daarvoor een ideale kweekvijver. Deels haar redding, schrijf ik, want Linnah weet wat ze wil. Ze wil naar school. Om te leren lezen en schrijven. En dan wil ze receptioniste worden in een hotel. Mensen helpen een fijne vakantie te hebben en de telefoon opnemen. Soms gluurt ze bij een hotel naar binnen. Dan ziet ze haar droom zitten. Die droom heeft minstens vier jaar middelbare school en meestal nog een hotelopleiding erbij. Altijd knapper dan zij. Maar dat zeg ik haar niet. Linnah is nu gekookte-eieren-verkoopster. Steeds koop ik er vier. In een opgevouwen papiertje krijg ik er dan wat masala bij. Een zelfgemaakte kruidenmelange van onder andere zout, peper en gember. Ik blijf een half uurtje praten. Ga dan weer aan het werk. De eieren eet ik niet op. Ik ben bang dat mijn schijterige Europese maag er niet tegen bestand is. Mijn maag lijdt aan Salmonella-angst, maar de dakloze moeder van dakloze Stevie weet wel raad met de eitjes en de masala.

Elke dag krijg ik een beetje meer van Linnah. Woorden. Langzaam vertelt ze me haar verhaal. Waarom zou ze ook niet? Ik ben vriendelijk, geïnteresseerd en sta buiten alle verbanden die haar leven bepalen. Ze is nu 24 jaar oud. Haar vader was politieagent. Hij werd tijdens zijn werk doodgeschoten toen ze één jaar oud was. De Keniaanse overheid is verplicht de nabestaanden een uitkering te verschaffen. Al drieëntwintig jaar wordt dat geld niet uitgekeerd. Waarschijnlijk verdwijnt het in de zak van een ambtenaar die de geldstromen wat omleidde ten gunste van zichzelf. Haar moeder is de tweede vrouw van de doodgeschoten agent. De bezittingen bleven bij de eerste vrouw. Zij kreeg niets.

Linnah werd verkracht, door een soort oom of neefachtige figuur. Meerdere malen. Ze was toen 17 jaar oud. Ze raakte zwanger. Van een tweeling; een jongetje en een meisje. Ze zijn nu 6 jaar oud. Linnah schaamt zich voor het feit dat haar oom haar verkrachtte. Ze vertelde het aan niemand, alleen aan de zus van de verkrachter. Omdat die iets vermoedde en aandrong door steeds weer te vragen. Tot voor kort kende Linnah het woord verkrachting helemaal niet. Ik was het die haar uitlegde dat met geweld en tegen je zin gedwongen worden tot seks strafbaar is en verkrachting heet. Ze vermoedde al zoiets. Maar over een verkrachting kun je niet praten. Ze schaamt zich. Omdat de verstrekker van het zaad een bekende is, en veel rijker dan zij, zwijgt ze over zijn identiteit. De prijs zou te hoog zijn voor de familie, die nu af en toe een aalmoes toegeworpen krijgt. De aalmoesontvangers zijn ooms en tantes uit ver weg gelegen dorpen, die met kerst een paar pakken maïsmeel van rijke familieleden krijgen. Zij zouden het Linnah nooit vergeven als zij, door over zoiets triviaals als een verkrachting te zeuren, de meel zouden moeten missen. Gedane zaken nemen immers geen keer en maïsmeel is het belangrijkste voedsel voor de gewone Keniaan.

Ooit vreesde Linnah dat ze door haar broer en zussen gedwongen zou worden de tweeling aan de verkrachter af te staan. De broer en zussen, zelf door intense armoede en tegenslag hardvochtig geworden, redeneren: ‘De kinderen zijn onwettig. Waarom zou onze familie ervoor moeten opdraaien en de schande dragen?’ Linnah houdt van haar kinderen. Ze zwijgt. Voor het feit dat Linnah zwijgt over de identiteit van de verkrachtervader betaalt zij een hoge prijs. Haar oudere broer en zussen nemen haar die zwijgzaamheid kwalijk en verstootten haar min of meer. Eén van haar zussen is getrouwd met een voorganger van een evangelische kerk. Maar meneer en mevrouw Dominee weigeren Linnah te helpen, omdat ze zwanger werd buiten een huwelijk om. “Zo heeft God het immers niet bedoeld. Amen.”

Het feit dat Linnah’s moeder voor haar kinderen zorgt – iemand moet dat toch doen als zij de eitjes verkoopt – heeft geleid tot het zo goed als verstoten van ook de oude moeder. Haar moeder woont met oma en de tweeling in een hok waarin een Nederlandse hobbyboer zijn kippen niet zou durven houden. Echt, geloof me, geen enkele hobbyboer! Linnah woont niet bij haar kinderen en de oma’s. Dat mag niet. De evangelische dominee is eigenaar van het hok. Hij wil niet dat Linnah vaker dan eenmaal per week langskomt, om eten te brengen voor haar kinderen en de oma’s. Dan hoeft de dominee dat tenminste niet te doen, dat eten betalen. Bovendien, hij stelt het hok al ter beschikking. En, o ja, de planken, emmers en plastic zakken die in het hok liggen opgeslagen, moeten er blijven. Waar moet de dominee anders zijn planken, emmers en plastic zakken bewaren? Ze staan er al vier jaar ongebruikt. Ze staan daar dus prima. In wat nu de woonkamer van twee oude dames en twee kleine kinderen is. Misschien heb je ooit nog eens planken, emmers en plastic zakken nodig. Het hok heeft geen vloer. Het hok bestaat uit vier muren van brokkelig steen en een golfplaten dak. Meer niet. Echt niet.

Linnah wil me graag aan haar kinderen voorstellen. Ze is heel trots op hen en houdt heel veel van hen. Ze vertelt me vaak moedertrotse dingetjes: ‘Als de juf op één van de twee boos is, gaat de ander alvast huilen.’ En: ‘Het meisje kan hele mooie tekeningen maken. De jongen vindt voetballen heel leuk. De juf is gek op hen want…’ We maken een afspraak en vertrekken de volgende dag om een uur of elf in de ochtend naar het hok waar haar kinderen wonen. Met de oma’s. Het hok staat buiten de stad. Op grond die goedkoop is en waar nu nog niemand wil wonen. Dat is een kwestie van tijd, want de stad groeit. Dan zal dominee de grond willen verkopen. Moeders, kinderen en bijbehorende rommel staan zo op straat. Geen huur, geen rechten. Het probleem zijn de planken, emmers en plastic zakken. Waar moet je die dan laten? Het is snikheet. Geen zuchtje van het briesje dat het leven aan ‘mijn’ strand zo aangenaam maakt. De lucht hangt er stil en zwaar. Als we uit de derde matatu stappen, moeten we nog een half uur lopen. Als we over de laatste heuvel zijn, wijst Linnah het huisje aan. Niet echt nodig, ik had het al gezien. Ze wonen er als verstotenen, eenzaam buiten het dorp. Als de kinderen hun moeder onverwacht en op een doordeweekse dag zien aankomen, is de vreugde groot. Ze rennen op haar toe. Tot ze mij achter hun mama ontwaren. Ze hebben nog nooit een blanke meneer van dichtbij gezien. Ze houden in. Staan even stil. Dan wint de drang om mama te knuffelen het gelukkig. Ze vliegen Linnah in de armen. Linnah maakt grapjes. Doet gekke danspasjes en trekt rare gezichten. De kinderen lachen blij. Ik heb op mijn reizen door de wereld armoede gezien. Maar dit? Twee oude vrouwen, twee kleine kinderen. Verstotenen. De moeder blind aan één oog. Staar, vermoed ik. Het tweede oog reeds aangetast. Ze hoest het hoestje van iemand die te vaak tbc heeft gehad. Misschien nog wel heeft. Oma te oud, te broos, te moe om op te staan, zelfs om de onverwachte gast te begroeten. De kinderen zijn gekleed in twee blauwe, haveloze schooluniformpjes. Gekregen van een vrouw uit de kerk. Ik kan één van de billetjes van het jongetje zien. Het broekje is misschien al wel honderd keer versteld. Er is geen stof meer over om naald en draad doorheen te steken, daar gaat het alleen nog maar verder stuk van. We zakken naast de oude dames neer op een omgevallen boom die naast het huis ligt. Linnah had zich nog zorgen gemaakt. ‘Kan de blanke grapjesmeneer wel mee naar het huisje? Er zijn geen stoelen om op te zitten, hoor!’ waarschuwde ze me. We blijven een klein uurtje. Dan moeten de kinderen weer naar school. We lopen met hen mee. Het jongetje huppelt soms voor ons uit. Zijn blote billetje gaat ook naar school. Het meisje is 6, maar heeft de lengte van een 4-jarige. Ze houdt de hand van haar mama vast en kwebbelt, terwijl ze schuin omhoogkijkt, naar Linnah. De eierverkoopster van 24 die nauwelijks kan lezen en schrijven. Die verkracht werd door een oom. Die mama werd van een prachtige tweeling. Die er van droomt receptioniste worden. Dan mag ze glimlachen en de telefoon beantwoorden. ‘Met het hotel. Met Linnah spreekt u. Zegt u het maar!’

Overmorgen vertrek ik weer naar Nederland. Morgen ga ik voor het laatst vier eitjes kopen bij Linnah. Dan doe ik net alsof ik een Duitser ben die niet weet hoe je ei in het Engels zegt. Vindt ze leuk. Ze zal wel lachen. Ik reken dan 60 eurocent af en geef Linnah wat cadeautjes. Voor haar een pak wasmiddel en een stukje zeep. Een bal voor het jongetje, een popje voor het meisje. Voor elk een leuke tandenborstel, een Tshirt en een paar lieve onderbroekjes. Die ik vanmiddag voor hen kocht. Huilend. Zegt U het maar!